Ik proefde ’m voor het eerst in Noorwegen. Een bijzondere Pedro Ximénez, uit 1954. Donker, bijna stroperig, met smaken van rozijnen, koffie en iets warms dat ik niet direct kon plaatsen. Geen wijnkenner, nauwelijks drinker. Maar als een wijn dan uit 1954 komt, gelden er andere regels en wil ik best een uitzondering maken.
Eenmaal thuis in Nederland liet die fles me niet los, puur uit nieuwsgierigheid. Waar kwam deze PX vandaan? En was hij eigenlijk nog ergens te krijgen? Na wat zoeken bleek hij te worden gemaakt op zo’n anderhalf uur rijden van ons appartement in Spanje. Het plan was snel gemaakt. Tijdens onze eerstvolgende vakantie zouden René en ik die plek zelf gaan bekijken.
Op naar Toro Albalá.
De rondleiding begint rustig. Geen groepsgids met headset, geen schema dat strak gevolgd moet worden. We zijn met z’n tweeën en krijgen alle ruimte om vragen te stellen. En vooral: we mogen overal kijken. We lopen door de kelders, langs eindeloze rijen houten vaten, terwijl ondertussen wordt verteld hoe hier al decennialang, soms zelfs meer dan een eeuw, met wijn wordt gewerkt. Alles draait hier om tijd. En niemand lijkt haast te hebben.
We proeven verschillende wijnen, waaronder de Pedro Ximénez uit 1954 waarvoor ik was gekomen. De proefruimte is tussen de vaten waar de wijnen al jaren liggen te rijpen. Dat maakt het proeven meteen anders. Je merkt het verschil tussen de stijlen zonder dat iemand er veel woorden aan vuil hoeft te maken: van geconcentreerd en bijna stroperig tot wijnen die juist verrassend fris en elegant zijn.
We lopen de ruimte uit en komen in een museum. Midden in de bodega. Het is een beetje een gek museum, maar juist daarom zo leuk. Je kunt het zo gek niet bedenken of het staat er wel. Er staan vitrines met archeologische vondsten uit de regio: Romeinse munten, fossielen, oude gebruiksvoorwerpen. Daarnaast heeft de familie Toro Albalá door de jaren heen zelf van alles verzameld van hun reizen over de wereld. Het voelt daardoor niet als een strak ingericht museum, maar als een verzameling die langzaam is gegroeid.
Over dat museum doen trouwens allerlei verhalen de ronde. Zo zou men vondsten liever hier hebben ondergebracht dan officieel gemeld, uit angst voor gedoe rond de grond. Dat verhaal klopt niet helemaal, maar feit is wel dat archeologische vondsten in Andalusië als cultureel erfgoed worden gezien. Door de jaren heen zijn daardoor veel objecten bij Toro Albalá terechtgekomen, waar ze zorgvuldig bewaard zijn gebleven. Samen met de privécollectie van de familie vormt dat dit eigenzinnige, bijna onverwachte museum.
We lopen vanuit het museum door naar de bottelruimte. Ook hier geen moderne productielijn. Alles gebeurt met de hand. Etiketten worden geplakt en beschreven met een uniek nummer, fles voor fles. De herkenbare rode stempel wordt handmatig aangebracht. Geen haast, geen efficiency‑denken. Het voelt als de laatste stap in een lang proces waarin aandacht belangrijker is dan snelheid.
En ja, een bodega zou natuurlijk geen bodega zijn zonder winkel. We zijn dus niet met lege handen vertrokken. We namen een paar wijnen mee en ook wat gerijpte azijnen (zeg maar gerust: balsamico’s met karakter).
Dit zijn mijn favorieten:
Don PX 1999: stroperig en intens, maar jonger en daardoor iets vriendelijker geprijsd.
Don PX Cosecha: een lichtere variant, maar nog steeds vol smaak.
Miut L’Assemblage 2020: een frisse witte wijn.
Vinagre Reserva Fino Seco 5 Años: een gerijpte azijn die zelfs een simpele salade serieus neemt.
Wil je zelf ook eens gaan kijken of meer weten over deze bodega? Dan vind je alle informatie hier:
https://www.toroalbala.es/
Ik ben geen wijnkenner en drink bijna nooit. Maar sommige plekken, en sommige flessen, laten zich niet negeren.

