Jerez de la Frontera is een minder bekende stad in Andalusië, beroemd om sherry, flamenco en Andalusische paarden.

Jerez de la Frontera stond al een tijd op ons lijstje. Zo’n stad waar je vaak over hoort, maar die je toch steeds overslaat. Te ver weg, te weinig tijd, eerst dat andere nog.
Toch bleef Jerez terugkomen. En dus besloten we: nu is het moment.

Jerez ligt in Andalusië, in de provincie Cádiz. Geen toeristische publiekslieveling zoals Sevilla of Málaga, maar juist een stad die alles iets rustiger lijkt te doen. Minder haast, minder groot, minder ‘moeten zien’. Precies dat maakt haar interessant.
Bij aankomst valt vooral de sfeer op. Geen overweldigende highlights, geen rijen mensen met camera’s. Wel pleinen waar het leven zich afspeelt zoals het gaat. Mensen die blijven zitten. Die praten. Die hun tijd niet indelen.

Jerez is onlosmakelijk verbonden met sherry. Overal in de stad zie je verwijzingen naar de bodegas die hier al generaties lang bestaan. We dwaalden door straten waar je de geur van nat hout en wijn soms letterlijk ruikt.

Wat direct opvalt in Jerez zijn de gebouwen met binnenpleintjes. Van buiten zie je vaak alleen een deur of een gevel, maar zodra die openstaat, kijk je ineens een stille patio in. Het zijn van die gezellige binnenpleintjes waarbij het voelt alsof je heel even bij iemand thuis naar binnen glipt.

In de stad staat de Catedral de Jerez. We liepen erheen maar de deuren waren dicht. Geen toeristen, niemand die stond te wachten. Toen had ik het door. Maandag dus. En ja, in Spanje is dat de dag dat veel plekken gewoon even dicht zijn.

Naast de kathedraal ligt de Alcázar de Jerez en pal daarnaast de enorme bodega Tío Pepe. Alleen al van buiten indrukwekkend. Dit is de plek waar de bekende sherry van González Byass wordt gemaakt: Tío Pepe Fino. Je voelt hier meteen hoe groot en belangrijk sherry is voor deze stad.

Omdat vrijwel alle bezienswaardigheden gesloten waren, besloten we het anders aan te pakken. Sherry proeven, mét een goede kaasplank erbij. Een terrasje, in de zon, wie maakt ons wat, zo hoort vakantie te zijn. De keuze aan sherry was enorm en eerlijk gezegd wisten we niet zo goed wat we moesten kiezen. Dat zegt eigelijk alles over hoeveel sherrybodega’s er in deze regio zijn.

De volgende dag gingen we opnieuw de stad in. Deze keer sloegen we de gezellige straatjes en pleintjes over en reden we met de auto naar de Alcázar van Jerez. Dat ging verrassend makkelijk, want er ligt een grote parkeergarage direct naast de ingang.

Wij vinden eigenlijk iedere alcázar en alcazaba leuk en gaan er altijd naar binnen. Inmiddels hebben we er al heel wat gezien, al blijft die van Sevilla voor ons het allermooist.
Wat wij vooral leuk vonden in deze Alcázar zijn juist de praktische dingen van vroeger. De oude olijfmolen, waar eeuwenlang olijven werden verwerkt en de slimme wateropslagen en bassins laten zien hoe zelfvoorzienend deze plek ooit was. In zo’n droge omgeving was water minstens zo belangrijk als dikke muren.

Dan is het tijd om naar huis te gaan, want we moeten nog wel een eind rijden.
We laten de stad achter ons en na zo’n anderhalf uur rijden verschijnen de bergen weer in zicht. Dat moment waarop je weet: we zijn er bijna, terug naar de Costa del Sol. Fijn gevoel… elke keer opnieuw.